Actueel

  • 2 november 2025

    Het bestuur #14: Gepko Wolters

    Lees meer…

  • 1 november 2025

    Boek Kenniscentrum Hoogbegaafdheid voor alle po- en vo-scholen

    Lees meer…

  • 31 oktober 2025

    Column #18 Marko Otten: Hardnekkige mist rond de torens van OCW

    Lees meer…

  • 30 oktober 2025

    “We durven buiten de kaders te denken”. Hb-onderwijs op het Vechtdal College

    Lees meer…

  • 23 oktober 2025

    “Giftedness Should Not Be a Niche Topic” An Interview with Franzis Preckel

    Lees meer…


  • Alle nieuwsberichten

Het bestuur #14: Gepko Wolters

“Hoogbegaafdheid vraagt om lef én maatwerk”

Wie zitten er in het bestuur van de Vereniging BPS? Wat is hun motivatie? Deze keer stelt Gepko Wolters zich voor. Hij is docent godsdienst en projectleider Gifted Education op het Oranje Nassau College in Zoetermeer. Hij is al jaren betrokken bij de BPS Academie, sinds dit jaar is hij bestuurslid.

“Ik ben opgegroeid in een echt onderwijsgezin. Maar eerlijk gezegd dacht ik eerst: dat ga ik niet doen. Ik wilde wel graag met mensen werken, maar niet voor de klas. Tijdens mijn studie theologie in België werd ik verplicht om een onderwijsstage te lopen, toen gebeurde er iets. Ik merkte dat het me lag, dat ik energie kreeg van lesgeven en van het contact met leerlingen. Dat was een omslagpunt: ik besloot om docent godsdienst te worden. Na op verschillende scholen les te hebben gegeven, werk ik nu al weer negentien jaar met veel plezier op het Oranje Nassau College.”

Wanneer kwam je in aanraking met hoogbegaafdheid?

“Dat was rond 2010. Mijn teamleider vroeg of ik naar een CPS-congres over hoogbegaafdheid wilde. Ik wist er toen niet veel van, maar het leek me wel interessant. Daar ging voor mij een wereld open. Ik herkende leerlingen, maar vooral ook mezelf, in wat er werd verteld. Dat gaf me veel rust en duidelijkheid: zó zat mijn eigen schoolloopbaan in elkaar, dáárom had ik altijd die klik met bepaalde leerlingen. Ik realiseerde me dat dit iets was waar we op school iets mee moesten. We zijn begonnen met één leerling, Ruben. Heel kleinschalig, eerst kijken wat hij nodig had en wat wij konden bieden. Dat was het begin van ons onderwijs voor hoogbegaafden.”

Hoe is dat uitgegroeid tot het programma dat jullie nu hebben?

“Na Ruben kwam er een leerling van de basisschool die eigenlijk al klaar was met het curriculum daar. Samen met de basisschool en de ouders hebben we gezocht naar een oplossing. Dat werd de basis voor ons Pre-VWO-traject. Inmiddels hebben we daar twee vaste klassen van.

Het mooie vind ik dat we nooit begonnen zijn met een strak plan of blauwdruk, maar met lef om te experimenteren. Soms bleek iets niet te werken en stopten we weer. Maar gaandeweg groeide er iets dat steeds meer leerlingen hielp. Dat proces laat zien dat je met visie en durf ver kunt komen, ook als je klein begint. Ik heb we de ECHA-opleiding gedaan om de benodigde kennis te hebben.”

Waarom zijn jullie lid geworden van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen?

“Toen we startten met onderwijs voor hoogbegaafden, liepen we tegen veel vragen en uitdagingen aan. Het is daarom ontzettend waardevol om andere scholen te ontmoeten die met dezelfde thema’s bezig zijn. Binnen de BPS voelde ik meteen de ruimte: je wordt uitgedaagd om goed na te denken over je visie op hoogbegaafdheid, maar er wordt je geen strak keurslijf opgelegd. Dat sprak ons enorm aan. Bovendien konden wij ook iets bijdragen: als stichting waarin zowel primair als voortgezet onderwijs samenwerkt, hebben we een unieke positie. Die ervaring brengen we graag in.”

Je bent inmiddels ook bestuurslid van de vereniging. Waarom vond je dat belangrijk?

“Voor mij werkt het het beste als je actief betrokken bent. Vanuit de BPS Academie dacht ik al mee over inhoudelijke thema’s en de behoefte van scholen. Toen er bestuursleden stopten, werd ik gevraagd om te solliciteren. Ik merk dat mijn analytische en strategische kant daar goed tot zijn recht komt. Bovendien ken ik de vereniging inmiddels door en door. Vanuit het bestuur kan ik meewerken aan de koers: hoe houden we de BPS relevant, hoe zorgen we dat we meer zijn dan alleen een label op de muur? Dat geeft energie.”

Hoe zie je de toekomst van het onderwijs aan hoogbegaafden?

“Ik hoop dat leerlingen hun schoolcarrière zo passend mogelijk kunnen doorlopen. Dat vraagt soms om buiten de bestaande kaders te denken. Regels en systemen zijn nuttig, maar kunnen ook belemmerend werken. Juist bij hoogbegaafde leerlingen moet je soms durven zeggen: dit past niet in ons standaardplaatje, maar wél bij wat deze leerling nodig heeft. Ik zie dat er vaak meer mogelijk is dan scholen vooraf denken – als je de moed hebt om te proberen. Hoogbegaafdheid moet voelbaar zijn in de cultuur, in de visie en in het handelen van de hele school. Als ouders en leerlingen dat ervaren, dán maak je echt verschil.”

Boek Kenniscentrum Hoogbegaafdheid voor alle po- en vo-scholen

Begin december 2025 stuurt het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid haar uitgave Basisboek (Hoog)begaafdheid voor po en vo naar alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs. Programmamanager dr. Eleonoor van Gerven: “Dit boek over kansrijk onderwijs vanuit een inclusieve gedachte voor leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid is in veel opzichten een bijzonder boek. Samen met alle materialen in de Kennisbank van het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid kun je dit boek zien als basis voor een nationaal curriculum voor leraren over (hoog)begaafdheid.”

Van Gerven: “In 25 hoofdstukken beschrijven 34 auteurs vanuit hun eigen perspectief en op basis van wetenschap en praktijkervaringen wat zij als passend(er) onderwijs zien voor leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid. De redactie van dit boek koos ervoor om niet één richting voor te schrijven, maar juist die verschillende perspectieven naast elkaar te plaatsen. Leraren kiezen zelf wat het beste past bij hun leerlingen; scholen en schoolbesturen wat het beste past bij hun organisatie. Met dit boek en de materialen in onze Kennisbank bieden we een totaalpakket aan materiaal om het ontwikkelen van de competenties van professionals in het po en vo voor het geven van onderwijs aan (hoog)begaafde leerlingen te ondersteunen.”

Lees verder…

Column #18 Marko Otten: Hardnekkige mist rond de torens van OCW

De verkiezingen zijn voorbij en de uitslag is bekend. Tsja, foei toch. Ik wil het hier niet eens hebben over de bizarre uitkomst. Maar ik denk nog wel aan het moment dat ik mezelf als kiezer uitgeput en terneergeslagen terugvond op het dampende slagveld voor het stemhok. Al het tamboereren op afgesleten thema’s rond landsgrenzen die allang niet meer bestaan en andere anachronismen was me teveel geworden. De meest sleetse onderwerpen werden bovendien vermenigvuldigd met prematuur politiek steekspel.

Ik moet het bekennen: even dreigde een soort electorale amnesie mij de baas te worden. Gelukkig heb ik me bijtijds herpakt en kon ik op de afgesproken datum als de eerste beste democraat met het rode potlood de rol behang te lijf die ik vervolgens ook nog in de kliko kreeg.

Wat wil ik hier nou mee zeggen? Bij alle geweld in debatten, aan talkshowtafels en op nog minder valide televisiemomenten, bij alle geweld in de gedrukte media en zeker bij alle geweld in de memes en soundbites van social media ontbrak het consequent aan serieuze omgang met de problematieken waarmee wij ons dagelijks geconfronteerd zien in het onderwijs. Ik vrees dat dit ook in de komende maanden van informeren en formeren zo zal blijven.

We hoorden niets over het lerarentekort, niets over de werkdruk die een bedreiging is voor de gezondheid van onderwijspersoneel. Zelfs de achteruitgang van het kennisniveau, de slijtageslag bij taal en rekenen en de aanhoudende daling in de OESO-rating is nergens serieus besproken. De veiligheid van het schoolplein, echt wel een pittig en relevant onderwerp, diende slechts als stok om er een zondebok mee te lijf te gaan. We hoorden evenmin zinvolle statements over zoiets als het dichterbij brengen van onderzoek en praktijk. Impulsen voor evidence based werken? Nada.

Er is gezwegen over het ontbreken van serieuze support voor onze scholen bij begeleiding en ondersteuning van hoogbegaafdheid in al zijn verschijningsvormen. En er kwam al helemaal niets los over de vreemde omlegging van stimuleringsmiddelen via de dure en bevoogdende systematiek van de samenwerkingsverbanden. Nu is dat laatste natuurlijk wel heel erg technisch voor de gemiddelde kiezer, maar de BPS-scholen hebben er wel elke dag mee te maken.

Kortom, de verkiezingen, wat je er ook van mag vinden, gingen in ieder geval niet over ons en ook niet over de tienduizenden leerlingen die aan de BPS-scholen zijn toevertrouwd. Het teken aan de wand is zichtbaar. Maar de torens van het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap blijven gehuld in een hardnekkige mist.

“We durven buiten de kaders te denken”. Hb-onderwijs op het Vechtdal College

Het Vechtdal College in Hardenberg is al ruim twintig jaar actief met onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen. Wat ooit begon als een klein project, is uitgegroeid tot een stevig verankerd onderdeel van de school. Fennie Kikkert is coördinator meer- en hoogbegaafdheid, Marko Gaasbeek is teamleider vwo. Ze praten over ambitie, aandacht en anders, de drie pijlers die het onderwijs aan begaafde leerlingen op het Vechtdal College typeren.

Fennie Kikkert: “Ik ben coördinator meer- en hoogbegaafd op het Vechtdal College Hardenberg. Ooit ben ik begonnen als docent “Projectgestuurd onderwijs”, vanuit daar ben ik in dit onderwerp gegroeid. Inmiddels stuur ik een team aan dat zich bezighoudt met ons onderwijs aan en de begeleiding van (hoog)begaafden, en contacten met ouders en basisscholen. Daarnaast ben ik projectleider van onze onderwijs-zorgarrangementenklas Eureka!. Daar ben ik enorm trots op.”

Marko Gaasbeek: “Ik ben teamleider van de vwo-afdeling, inmiddels drie jaar. Daarvoor was ik teamleider van de TL-afdeling, dus ik ken de school van meerdere kanten. Het leuke aan deze rol is dat ik veel directer betrokken ben bij onze BPS-leerlingen, zowel de gymnasiasten als de leerlingen in het Eureka!-programma.”

Wat voor school is het Vechtdal College?

Marko: “Wij zijn een echte regioschool. Leerlingen komen soms van wel een uur fietsen ver. We bieden alles aan, van praktijkonderwijs tot en met gymnasium. Ook hebben we een doorlopende leerroute naar het mbo en geven we 10-14-onderwijs. Dat brede aanbod hoort bij onze regiofunctie: ieder kind moet dichtbij huis goed onderwijs kunnen volgen. Op dit moment hebben we zo’n 1.600 leerlingen.”

Fennie: “We doen inderdaad heel veel, en we willen dat ook allemaal goed doen. Het BPS-traject loopt hier al sinds 2006. Daarmee waren we een van de eerste scholen in Nederland. In die periode ben ik op het Vechtdal gaan werken, voor het vak Nederlands en later ook voor projectgestuurd onderwijs. Van daaruit ben ik het hb-onderwijs ingerold, ik heb opleidingen gevolgd en sinds een jaar of zeven ben ik de coördinator.”

Marko: “Omdat wij dé school van de regio zijn, willen we geen leerlingen laten wegvallen. Zodra we merken dat een bepaalde groep buiten de boot valt, denken we: daar moeten we iets mee. Dat gold destijds voor hoogbegaafde leerlingen; die moesten toen naar Zwolle uitwijken. Dan zeggen wij: dat kunnen we hier ook bieden.”

Hoe is jullie visie op hoogbegaafdheid in de loop der jaren ontwikkeld?

Fennie: “We hebben een paar jaar geleden ons beleidsplan vernieuwd. Dat hebben we gekoppeld aan onze kernwaarden: aandacht, ambitie en anders. Die drie woorden vatten samen hoe we naar leerlingen kijken; niet alleen de hoogbegaafden, maar álle leerlingen.

In onze regio is hoogbegaafdheid niet iets waar mensen mee te koop lopen. We zien dus weinig kinderen die binnenkomen met een label ‘hoogbegaafd’. Maar we zien wél veel kinderen die méér in hun mars hebben dan ze tot dan toe konden laten zien. Ons motto is daarom: “Haal meer uit jezelf”. We willen iedere leerling zien, serieus nemen en een rijke leeromgeving bieden waarin ze kunnen groeien.

Hoe ziet die rijke leeromgeving er in de praktijk uit?

Fennie: “We proberen leerlingen echt maatwerk te bieden. Dat kan klein zijn, een andere opdracht, een project op maat. En soms doen we het echt helemaal anders. Wil je als hb-leerlingen koken, ga naar de docenten van het vmbo-profiel Horeca. Wil je iets met techniek doen, ook daar hebben we docenten voor.
Een mooi voorbeeld is ook een meisje dat al versneld uit het basisonderwijs kwam. Ze was jong, maar deed het uitzonderlijk goed. We hebben haar versneld door de onderbouw laten gaan: klas 1, 2 en 3 in twee jaar. Dat was nieuw voor ons, maar we durfden het aan. Zoiets lukt alleen als je ook met ouders, mentoren en docenten durft te vertrouwen op het kind.

Marko: “Dat vraagt ook flexibele docenten. We hebben er hier een flink aantal dat buiten de kaders durft te denken. Eén van hen begeleidt leerlingen nu bij het bouwen van een echte race simulator. Leerlingen van verschillende niveaus werken samen, van basis tot vwo. Iedereen draagt iets bij: lassen, 3D-printen, programmeren. Dat enthousiasme is aanstekelijk. Zodra leerlingen geraakt worden door iets wat hen echt boeit, willen ze vanzelf meer leren.

Dat klinkt als een school waar docenten veel ruimte krijgen om te experimenteren.

Fennie: “Klopt, maar dat gaat niet vanzelf. We hebben de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in scholing. Eerst met een kleine groep, later schoolbreed. Inmiddels zijn alle vwo-docenten geschoold in meer- en hoogbegaafdheid, onder andere via het Landelijk Informatiecentrum Hoogbegaafdheid en via Novilo.

Daardoor kijken we nu anders naar leerlingen. In leerlingbesprekingen gaat het niet meer alleen over cijfers, maar over wat een kind nodig heeft om tot bloei te komen.”

Marko: “En dat zie je terug in de cultuur van de school. De kennis en houding rondom hoogbegaafdheid zit niet meer alleen bij een paar mensen, maar door de hele organisatie heen.”

Hoeveel hoogbegaafde leerlingen hebben jullie?

Fennie: “Ongeveer dertig leerlingen met een officiële diagnose en nog een kleine groep met kenmerken van begaafdheid. Daarnaast hebben we een grotere groep die meedoet aan ons Plus-traject, leerlingen die behoefte hebben aan extra uitdaging, maar niet per se getest zijn.

We hebben niet genoeg hoogbegaafde leerlingen voor aparte klassen, en dat vinden we ook niet nodig. De kracht zit juist in de integratie: leerlingen leren samenwerken met verschillende niveaus en interesses, Marko gaf al het voorbeeld van de race simulator.”

Wat houdt dat Plus-traject precies in?

Fennie: “Het Plus-traject bestaat uit twee pijlers. De eerste is het vak Onderzoekend leren, dat we in de onderbouw aanbieden. Leerlingen leren daarin onderzoeksvaardigheden: wat is een goede onderzoeksvraag, hoe doe je bronnenonderzoek, hoe voer je een experiment uit, maar ook, hoe werk je samen. Dat laatste vinden ze vaak lastig, maar het hoort bij leren samenwerken in het leven.

Een hoogtepunt is elk jaar XpositieX, waarbij tweedejaars hun eigen mini-museumpje inrichten. Ouders, leerlingen en docenten komen dan kijken, het bruist dan van energie.

De tweede pijler is de Persoonlijke Plus. Leerlingen kiezen een project waar ze echt blij van worden: een eigen onderzoek, een maatschappelijke activiteit, meedoen aan de leerlingenraad, modules aan een universiteit volgen, noem maar op. Ze mogen daar ook lestijd voor gebruiken, want ze krijgen een les-uitkaart.”

Marko: “We hebben zelfs een eigen Plus-lokaal: een rustige werkruimte. Ze mogen zelf om de sleutel vragen als ze daar willen werken. Dat geeft hen eigenaarschap en verantwoordelijkheid.”

Hoe ziet de zorgstructuur voor begaafde leerlingen eruit?

Fennie: “We hebben een netwerk van talentbegeleiders: docenten die gespecialiseerd zijn in hoogbegaafdheid. Zij begeleiden leerlingen individueel of in kleine groepen. Daarnaast hebben we een peergroup HB waar leerlingen elkaar ontmoeten en veel herkenning vinden.

Mentoren spelen ook een belangrijke rol. We verwachten van onze vwo-coaches nét iets meer, omdat ze geschoold zijn in het begeleiden van deze leerlingen.

Als er meer nodig is, schakelen we door naar de zorgcoördinator of eventueel externe hulp. En als het niet lukt in de reguliere setting, dan is er altijd nog Eureka. We zijn trots op hoe compleet dat geheel nu is: van ondersteuning in de klas tot intensieve zorg.”

Hoe signaleren jullie hoogbegaafde leerlingen als ze binnenkomen?

Fennie: “Dat doen we op drie manieren. Ten eerste hebben we een coördinator voor de basisscholen die actief vraagt naar kenmerken van begaafdheid. Ten tweede bekijk ik zelf alle dossiers, bijvoorbeeld kinderen die in groep 6 al op eindniveau zaten maar daarna terugzakten, die wil ik zien.
En ten derde doen we in oktober bij alle havo/vwo-leerlingen de CBO-test, waarin we kijken naar motivatie en cognitieve capaciteiten. Zo ontdekken we leerlingen van wie de capaciteiten niet eerder gezien zijn of bijvoorbeeld onderpresteerders.

Soms nemen ouders zelf contact op. Dan denken we mee, altijd in overleg met de basisschool. Het gaat ons om wat het beste is voor het kind, niet om het etiket.”

Jullie hadden het net al over Eureka!. Wat is dat precies?

Fennie: “Eureka! is onze onderwijs-zorgarrangementenklas voor meer- en hoogbegaafde leerlingen mét een extra ondersteuningsvraag. Denk aan leerlingen met autisme, prikkelgevoeligheid, zware faalangst of langdurig onderpresteren. Vroeger konden we die niet helpen. Ze gingen dan met een busje naar Zwolle, maar daar konden ze vaak óók niet terecht, omdat het niveau niet paste. We dachten: dit moeten we zelf doen. Dus in 2023 zijn we gestart, met één leerling. Nu, bijna twee jaar later, hebben we een volle groep.”

Marko: “Eureka! is echt een succesverhaal. Het programma biedt maatwerk voor maximaal twaalf leerlingen, meestal uit de onderbouw. Ze hebben een eigen, gezellige ruimte met een huiskamersfeer, een lesruimte en een coachruimte. Elke dag begint met een check-in en eindigt met een check-out. Sommige leerlingen volgen gedeeltelijk lessen in de reguliere klas, anderen nog niet. Het belangrijkste is dat ze weer plezier krijgen in leren.

Eureka! is voor het hele samenwerkingsverband, er komen zelfs leerlingen van buiten het samenwerkingsverband, bijvoorbeeld uit leerlingen uit bijvoorbeeld Hoogeveen en Emmen..

Fennie: “Precies. We hebben leerlingen gehad die niet meer bij hun oma op bezoek durfden. Die zitten nu met plezier op school. Dat is toch prachtig?”

Dat klinkt intensief. Hoe wordt dat gefinancierd?

Fennie: “Eureka! is opgezet binnen ons samenwerkingsverband. We hebben gelukkig een directeur die meedenkt en kansen ziet. Er zijn nu ook bij het samenwerkingsverband orthopedagogen die gespecialiseerd zijn in hoogbegaafdheid en regelmatig meedraaien. Toch blijft het financieel spannend. Het is duur onderwijs, maar zó waardevol.

Marko: “We moeten er als schoolleiding steeds weer voor knokken, maar het is het waard. Want we zien het verschil dat het maakt voor deze leerlingen.”

Fennie: “De lijnen met het samenwerkingsverband zijn kort. We hebben elkaar letterlijk in de telefoon staan. Als ik een vraag heb, bel ik gewoon. Ook de orthopedagogen denken mee. Eén van hen heeft inmiddels een vaste plek binnen Eureka!, daar zijn we heel blij mee. Zo bouwen we samen aan een stevig vangnet voor deze doelgroep.

Vorig jaar zijn jullie gevisiteerd door de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen. Hoe was dat?

Marko: “Heel positief. We hadden een eerlijk verhaal, met trots én zelfkritiek. We weten dat we nog willen groeien, maar we doen ook heel veel goed. De visitatie bevestigde dat beeld.”

Fennie: “Het was mijn derde visitatie en de tweede die ik zelf organiseerde. Dat is een enorme klus, maar ook heel waardevol. Wat ik mooi vond, de voorzitter begon met de vraag: ‘waar zijn jullie trots op?’ Dat zette meteen de toon.”

Waar willen jullie de komende jaren verder aan werken?

Fennie: “We hebben een ontwikkelagenda opgesteld. Een van de adviezen uit de visitatie was: ‘vier wat goed gaat en wees zuinig op je collega’s’. Daar proberen we echt naar te luisteren.
Daarnaast willen we ouders meer betrekken; zij vragen daar ook om. En in de lessen zelf willen we nog meer differentiatie en uitdaging bieden. Buiten de les is ons aanbod sterk, maar ín de klas valt nog winst te halen.

Ook de bovenbouw willen we vernieuwen. We zien, net als andere BPS-scholen, dat oudere leerlingen soms afhaken bij extra programma’s. Dan zoeken ze uitdaging buiten school, en dat is prima, zolang de motivatie goed blijft. Maar we willen ze binnen school ook blijven prikkelen.”

Marko: “En natuurlijk is er altijd de financiële kant. We zijn ambitieus en willen veel bieden, maar dat kost geld. We hebben een nieuwe directrice, dus ook weer een nieuwe fase van overtuigen en laten zien wat dit oplevert. Dat hoort erbij. Maar het geloof in dit werk is groot.”

Wat maakt jullie het meest trots?

Fennie: “Dat leerlingen zich hier gezien voelen. Of ze nu versnellen, verdiepen of via Eureka hun weg vinden, ze mogen zichzelf zijn. En dat we het niet meer van één persoon laten afhangen. Vroeger was het ‘het project van Fennie’, nu is het een gedeelde verantwoordelijkheid. Dat voelt duurzaam.

Marko: “Ik ben trots op de mentaliteit van onze docenten. Ze willen leren, ze durven te experimenteren. En ik ben trots op de leerlingen die hun eigen pad durven te kiezen. Dat we ze daarbij mogen begeleiden, dat is misschien wel het mooiste van ons vak.”

Tot slot: wat willen jullie andere scholen meegeven?

Fennie: “Durf te kijken naar wat een leerling écht nodig heeft, in plaats van wat het systeem vraagt. Laat los dat het allemaal in standaard hokjes moet passen. En begin klein: één docent met passie kan al het verschil maken.”

Marko: “En vier successen. Het onderwijs is complex genoeg, dus als een leerling opbloeit of een project slaagt: sta daarbij stil. Dat geeft energie om verder te bouwen.”

“Giftedness Should Not Be a Niche Topic” An Interview with Franzis Preckel

This year, the Association of Giftedness Profile Schools (Vereniging Begaafdheidsprofielscholen) established a Scientific Council, an advisory body for our schools and board members. A council like that is meant to support the goal of bringing scientific research and the practice of gifted education closer together. Alongside Lianne Hoogeveen and Alexander Minnaert, professor Franzis Preckel is one of the members.

Could you introduce yourself?

“I’m a psychologist, and I currently hold the professorship for Giftedness Research and Education at the University of Trier in Germany. I studied in Münster, which is close to the Dutch border. Actually, I grew up there too, so I’ve always felt a connection to the Netherlands. Before moving to Trier almost twenty years ago, I worked as an assistant professor at LMU Munich, where I also led a counseling center focused on giftedness and talent. We mainly worked with parents of gifted preschool and elementary-aged children.

My chair in Trier is still the only professorship for psychological giftedness research in all of Germany, which makes it quite a special position. It allows my team and me to explore a wide range of topics: from assessing intelligence and developing diagnostic materials for teachers, to evaluating special gifted classes in secondary schools.”

Why did you choose to dedicate your career to the study of gifted children?

“During my psychology studies, I did an internship at a counseling center for gifted children in Münster. My role involved administering intelligence tests, and I quickly realized that testing alone didn’t capture the full picture of a child’s potential. That experience inspired my PhD, where I developed an intelligence test for assessing abilities in the very high range.

At first, I thought it might just be a passing research topic, but the need for better understanding and support of gifted children kept growing. Over time, I realized there was a lot of work to do; not just in practice, but also in integrating giftedness into mainstream psychology and education. It shouldn’t remain a niche topic.

That’s why my colleagues and I try to publish in mainstream journals and create resources, such as textbooks for teachers and psychologists. We published the first German textbook on giftedness in 2013 and we now have a second edition and even an English version available.

Teachers in Germany aren’t allowed to use intelligence tests. How do you help schools identify gifted students?

“Yes, teachers in Germany cannot administer formal intelligence tests. Therefore, we develop materials that teachers can use in classrooms to recognize students’ potential, especially in math and science at the elementary level.

We also research diagnostic questions, such as how stable intelligence test results really are. Our meta-analyses show that before age 12 or 15, results are not very stable. So it’s not enough to label a young child based on a single IQ score (source: Breit, M., Scherrer, V., Tucker-Drob, E. M., & Preckel, F. (2024). The stability of cognitive abilities: A meta-analytic review of longitudinal studies. Psychological Bulletin, 150(4), 399–439).

Moreover, the higher a student’s general ability, the less meaningful their overall IQ becomes, because their strengths vary across subtests. We encourage looking beyond a single number, to identify specific strengths and patterns (source: Reit, M., Brunner, M., Molenaar, D., & Preckel, F. (2022). Differentiation hypotheses of Intelligence: A systematic review of the empirical evidence and an agenda for future research. Psychological Bulletin, 148(7-8), 518–554).

Our approach is multimodal: in addition to cognitive measures, we include elements like enjoyment of thinking or self-concept. These aspects are essential to understanding a child’s potential.”

How would you describe the situation for gifted education in Germany?

“Germany has a variety of initiatives — parent organizations, special schools, and regional projects. Each federal state (Bundesland) is responsible for its own education system, so the landscape is very diverse.

In 2018, we launched the first national program ‘Leistung macht Schule’, which I helped plan as part of the steering group. It aimed to strengthen talent development nationwide.

However, there are still major challenges. We have many activities and initiatives, but too little evaluation research to find out what truly works. And there are persistent misconceptions, some people still see support for gifted students as elitist or a luxury problem. This makes progress slower than it should be.”

How do German schools approach gifted classes?

“There’s no one-size-fits-all approach. Some federal states offer special gifted classes starting in grade 5 (vergelijkbaar met groep 7 in Nederland). For example, in Rheinland-Pfalz, where there are four secondary schools with such programs that began around 2004–2005. Other states have boarding schools for gifted students.

These classes can be very valuable, especially for children who have had negative experiences in regular classrooms, such as extreme forms of underchallenge, bullying or being misunderstood. Of course, there are also drawbacks, like labeling, but for some children, separate classes are necessary because they are far ahead of their peers and can’t simply skip multiple grades.

At the same time, many children can thrive in regular classrooms if they receive the right support. What matters most is flexibility and individual solutions.”

Could you tell us more about schools in Rheinland-Pfalz and their programs?

“Besides the four secondary schools with special gifted classes, Rheinland-Pfalz has a unique initiative called “Entdeckertagsschulen” (“Discovery Day Schools”). There are 17 of them, each serving as a hub for a network of elementary schools. Once a week, for example on Fridays, gifted and interested students from surrounding schools come together for enrichment activities like experiments or creative projects.

It’s a great organizational model because it connects schools across the region. Of course, the quality of what happens on those discovery days still depends on good diagnostics and planning, but the networking idea itself is very promising.”

Finally, what motivated you to join the Scientific Council of the Association of Giftedness Profile Schools?

“It started when I met Lianne Hoogeveen. We were both invited by the Royal Academy in Belgium as ‘Thinkers for Flanders’ in the project Care for Talent. Through that collaboration, we got to know each other, and she later invited me to join the Scientific Council.

What convinced me was the association’s openness to research. The Giftedness Profile Schools want to use scientific evidence to improve their practice, and they’re also eager to share their own experiences and questions with researchers. That kind of two-way communication between schools and science is exactly what we need.

I also think we should strengthen the European perspective on gifted education. Much of the research comes from the US, but their school systems and cultures differ from ours. So we need our own European data, programs, and collaboration.”

Meer structureel budget voor (hoog)begaafde leerlingen vanaf 2026

Vanaf 2026 zullen de middelen voor onderwijs en ondersteuning van (hoog)begaafde leerlingen in als structureel onderdeel van de bekostiging aan samenwerkingsverbanden worden toegekend. In een brief aan de Tweede Kamer bevestigde OCW dat jaarlijks 23,3 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld voor dit doel. Daarmee zet het ministerie in op continuïteit van de regionale aanpak.

Het kabinet wil het aanbod dat de afgelopen jaren dankzij subsidieregelingen is opgebouwd, borgen en verankeren in de reguliere onderwijsfinanciering.

Inmiddels is ook bekend dat er vanaf 2026 een bedrag van ongeveer 9,80 euro per leerling wordt toegevoegd aan het budget voor zware ondersteuning (in primair en voortgezet onderwijs). De 23,3 miljoen euro wordt dus vertaald in een norm per leerling over alle samenwerkingsverbanden samen.

Lees hier meer….

 

 

Het bestuur #13: Serge Hubers

“Onderwijs moet ruimte geven aan wie je bent én wie je kunt worden”

Wie zitten er in het bestuur van de Vereniging BPS? Wat is hun motivatie? Deze keer stelt Serge Hubers zich voor. Hij was tot en met dit jaar afdelingsleider vwo op het Theresialyceum (BPSchool) en nu teamleider Passend onderwijs bij ROOS Samenwerkingsverband vo. Sinds dit jaar is hij bestuurslid.

“Ik ben eigenlijk per toeval in het onderwijs beland. Tijdens mijn studie moest ik een extra keuzevak volgen en dat werd een oriëntatie op het leraarschap. Hoewel ik toen nog niet van plan was om leraar te worden, werd daar wel mijn interesse voor het onderwijs gewekt. Later kreeg ik een promotieplek aan de lerarenopleiding, waar ik me verder verdiepte in onderwijskunde en onderwijspsychologie.

Toch merkte ik dat de academische wereld voor mij te ver afstond van de praktijk. Daarom maakte ik in 2010 de overstap naar het voortgezet onderwijs, waar ik als teamleider begon op het Bonaventuracollege in Leiden. Uiteindelijk heb ik op verschillende scholen gewerkt, waaronder het Theresialyceum in Tilburg, waar ik verantwoordelijk was voor het beleid rondom begaafdheid.”

Wat heb ik met hoogbegaafde leerlingen en hoogbegaafdheid?

“Mijn belangstelling voor hoogbegaafdheid ontstond via het thema onderpresteren. Ik herkende daar iets van mezelf in. Op school ging alles me makkelijk af, maar ik had nauwelijks leervaardigheden ontwikkeld en miste intrinsieke motivatie. Dat zette me aan het denken: hoe kunnen we leerlingen beter begeleiden in hun ontwikkeling?

Ik wilde het onderwijs inbrengen wat ik zelf gemist had: ruimte om te ontdekken wie je bent en waar je naartoe wilt. Tijdens mijn werk ben ik me steeds meer gaan richten op leerlingen die onder hun niveau presteren. Ik heb me geschoold via onder andere de ECHA-opleiding en ben actief aan de slag gegaan met signalering, coaching en het bieden van uitdaging. Het gaat er voor mij om dat deze leerlingen niet alleen gezien worden, maar ook echt tot bloei kunnen komen.”

Waarom is de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen belangrijk?

“Ik vind de vereniging essentieel omdat ze scholen verbindt die zich inzetten voor hoogbegaafde leerlingen. We moeten niet alleen een netwerk zijn, maar ook een organisatie die trends signaleert en uitspreekt wat belangrijke ontwikkelingen zijn. We hoeven niets op te dringen, maar mogen wel richting geven.

De regio’s binnen de vereniging bieden mooie kansen voor uitwisseling, maar ik zie ook dat die samenwerking nog niet overal optimaal verloopt. Daar ligt voor ons nog een mooie kans.”

Waarom zit je in het bestuur van de vereniging?

“Ik ben in het bestuur gestapt omdat ik geloof dat de vereniging moet blijven bieden waar de leden behoefte aan hebben. Daarbij wil ik vooral ook schoolleiders meer betrekken. Hun betrokkenheid lijkt de afgelopen jaren wat afgenomen, terwijl zij juist bepalend zijn voor het beleid op scholen.

Door mijn achtergrond — zowel academisch als praktisch — denk ik dat ik een brug kan slaan tussen wetenschap en onderwijspraktijk. Ik wil eraan bijdragen dat wetenschappelijke inzichten bruikbaar worden gemaakt voor mensen op de werkvloer. Daarnaast vind ik het interessant om me ook bezig te houden met het bredere krachtenveld in het onderwijs, zoals de samenwerking met samenwerkingsverbanden en beleidsontwikkelingen.”

Wat is mijn ideaal als het gaat om onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen?

“Mijn ideaal is onderwijs dat zowel cognitieve uitdaging als persoonlijke ontwikkeling biedt. Ik geloof in een balans tussen leren en zijn. Hoogbegaafde leerlingen hebben niet alleen behoefte aan moeilijkere stof, maar ook aan ruimte om zichzelf te leren kennen.

We moeten ze helpen om hun potentieel te ontdekken en ontwikkelen — niet alleen als leerling, maar als mens. Onderwijs moet een plek zijn waar je mag worden wie je bent, en waar je ontdekt wie je kunt worden.”

Kenniscentrum HB publiceert brochure over Slimme meisjes

Onderzoek toont aan dat er geen betekenisvolle verschillen bestaan tussen de hersenontwikkeling van jongens en meisjes. Verschillen in waarneembaar gedrag lijken eerder voort te komen uit de respons van de omgeving juist op basis van die culturele verwachtingen.

In deze brochure van het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid is de hoofdtekst geschreven door Maaike Goddijn en Annelies de Muijnck. Aan de hand van een metafoor over een bijenkorf en haar bewoners beschrijven de auteurs hoe er gedragsclusters te herkennen zijn in het gedrag van meisjes. Daarbij leggen ze de relatie met de theorie over leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid.

In deze brochure staan ook interviews met verschillende leraren en onderwijsbegeleiders over de manier waarop zij in hun dagelijkse praktijk meisjes met kenmerken van begaafdheid herkennen, lesgeven en uitdagen.

Lees hier de brochure

Het bestuur #12: Ingrid Ottenheijm

“Ik wil het verschil maken voor leerlingen met een sterke motor”

Wie zitten er in het bestuur van de Vereniging BPS? Wat is hun motivatie? Deze keer stelt Ingrid Ottenheijm zich voor. Zij is docent economie en Talentcoördinator op het Bernardinuscollege in Heerlen. Sinds vorig jaar is zij bestuurslid.

“Ik had altijd al affiniteit met het onderwijs, veel familieleden werken of hebben gewerkt als docent. Maar aanvankelijk dacht ik: ik ga de financiële wereld in. Ik studeerde economie in Maastricht en liep stage bij ING. Tijdens die stage kreeg ik zelfs een baan aangeboden. Toch voelde ik heel sterk: dit is het niet. In het onderwijs kun je voor jongeren, in een cruciale levensfase, het verschil maken. Dat besef gaf voor mij de doorslag. Sindsdien heb ik nooit meer getwijfeld.”

Wat heb je met hoogbegaafde leerlingen en hoogbegaafdheid?

“Toen ik eenmaal lesgaf, zag ik hoe divers de leerlingenpopulatie is. Natuurlijk zijn er leerlingen die makkelijk meekomen, maar er zijn ook jongeren met enorm veel potentieel die zich niet vanzelf ontwikkelen. Zij denken en ervaren anders, zijn soms een buitenbeentje in de klas. Voor die groep heb ik altijd speciale aandacht gehad, ook toen ik er nog weinig theoretische kennis van had. Het stigma leeft nog steeds dat een slimme leerling alles vanzelf kan. Maar juist leerlingen met een sterke motor hebben begeleiding nodig.

Ik werkte op het Porta Mosana College in Maastricht, dat in 2010 een Begaafdheidsprofielschool werd. Ik was naast mijn docentschap ook mentor en begeleider van individuele leerlingen. In 2014 vroeg de schoolleiding mij of ik de talentcoördinator wilde opvolgen. Ik ging toen de opleiding talentbegeleiding bij Novilo volgen en deze opleiding was voor mij een enorme verdieping.

Vanaf 2019 werd ik netwerkregisseur binnen het samenwerkingsverband Passend Onderwijs Zuid-Limburg. Dat betekende dat ik me niet alleen meer op mijn eigen school richtte, maar scholen in de hele regio kon verbinden. Samen met directeuren en collega’s ontwikkelden we beleid om begaafde leerlingen beter te signaleren en te ondersteunen.

In 2019 ben ik ook overgestapt naar het Bernardinuscollege. Daar kreeg ik de opdracht om van de school een begaafdheidsprofielschool te maken. In 2022 werd het Bernardinuscollege officieel gecertificeerd. Dat voelde als een bekroning. Tegelijkertijd was het netwerk in Zuid-Limburg stevig neergezet. Hoewel de subsidie in 2023 afliep, is er nu een duurzame samenwerking waarvan veel scholen profiteren.”

Je bent nu ook bestuurslid van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen. Waarom?

“Omdat ik geloof dat we landelijk nog veel meer impact kunnen maken. Inmiddels telt de vereniging meer dan honderd leden. Samen zorgen we voor kwaliteitsborging via visitaties en het keurmerk, maar is er ook ruimte voor verscheidenheid tussen en eigenheid van scholen. Dat vind ik uniek: net als een begaafde leerling zijn of haar eigen autonomie nodig heeft, kan en mag een school ook zijn eigen accenten leggen. Mijn ambitie is om de vereniging duurzaam te laten groeien, professionalisering verder door te zetten en de expertise die op scholen aanwezig is veel sterker te bundelen.

Voor mij begint alles bij de relatie. We praten vaak over leerlingen, maar veel te weinig mét leerlingen. Wat heb jij nodig? Wat wil jij? Hoe denk jij verder te komen? Dat zijn de kernvragen. Ik gebruik zelf de begrippen ‘me power’ en ‘we power’: je persoonlijke kracht tegenover de kracht van het collectief. Je kunt pas echt groeien als beide ‘powers’ in balans zijn. In de klas, in het team en in de vereniging BPS probeer ik steeds die verbinding te leggen. Samen kun je meer dan alleen.”

Waar zie je de grootste kansen voor de komende jaren?

“Voor de vereniging hoop ik dat we verder kunnen groeien en dat scholen trots zijn om erbij te horen. Niet alleen omdat dat mooi klinkt, maar omdat het echt waarde oplevert. Verder zie ik veel kansen in de samenwerking tussen onderwijssectoren: van po naar vo, van vo naar hbo en wo. Hoe eerder we leerlingen zien en erkennen, hoe beter. En tenslotte hoop ik dat bedrijven en organisaties ook gaan inzien wat het betekent om mensen met een sterk ontwikkelingspotentieel ruimte te geven. Als we daar meer begrip voor ontwikkelen, kunnen we veel problemen voorkomen en enorm veel talent benutten.”

“Het is één geheel geworden” HB-onderwijs op het Helen Parkhurst

Sinds 2019 is Daltonschool Helen Parkhurst in Tilburg lid van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen. Dit jaar zijn ze voor de tweede keer gevisiteerd, met een positieve uitslag,. Directeur Heidi Baars en talentbegeleider Marlene van Hommelen vertellen hoe ze afgelopen vier jaar hebben gezorgd dat hun hb-aanpak diverser en meer ingebed in de school is geworden.

Waarom is het werken met hoogbegaafde leerlingen voor jullie zo belangrijk?

Heidi Baars: “Deze kinderen denken creatief, kunnen op een andere manier naar problemen kijken, en dat vind ik inspirerend. Je kunt echt de diepte in met hen. Bovendien vind ik het mooi dat onze school ruimte biedt voor maatwerk: kinderen zijn hier echt mederegisseur van hun leerproces. Als een leerling een andere aanpak wil of nodig heeft, dan is daar ruimte voor.”

Marlene van Hommelen: “Ik herken wat Heidi zegt. We werken met deze leerlingen echt op hun niveau. Je ziet dat als zij mogen leren – in plaats van moeten – ze opbloeien. Het enthousiasme komt dan vanzelf. En dat is precies waar ik energie van krijg.”

Helen Parkhurst is een Daltonschool én Begaafdheidsprofielschool. Hoe helpt die combinatie in jullie aanpak?

Heidi: “De afgelopen jaren hebben we ons hb-onderwijs steeds beter gemaakt door in onze onderwijsvisie de Dalton-filosofie aan de aanpak voor hoogbegaafden te koppelen. Daardoor weten we veel beter wat we doen en waarom. Het is nu een geheel.

Dalton-onderwijs geeft ruimte voor zelfstandigheid, reflectie en verantwoordelijkheid. Daardoor is er letterlijk veel speelruimte voor maatwerk. De dag start voor alle leerlingen in de eigen thuisgroep. Daar is ruimte voor de sociaal-emotionele ontwikkeling, verbinding, taakwerk en persoonlijke groei.

Vervolgens verdelen de leerlingen zich over verschillende pleinen. In groep 1 en 2 hebben we bijvoorbeeld het Wereldplein, Beweegplein, Kunstplein. In de bovenbouw hebben we een Spellingplein en een Rekenplein. Instructie is losgekoppeld van de thuisgroep. Zo kan ieder kind krijgen wat het nodig heeft.”

Marlene: “Voor de hb-leerlingen hebben we in elk leerjaar het Talentlab. Hier wordt de instructie aangepast aan hun niveau, zodat er veel tijd over is voor verbreding en verdieping. Denk aan vakken zoals Spaans, filosofie, programmeren of Levelwerk.

In het TalentLab draait het om vaardigheden: plannen, zelfstandig werken, creatief denken en leren omgaan met uitdagingen. Samen met de talentbegeleiders stellen de kinderen hun eigen leerdoelen op. En, ze ontmoeten hun peers uit andere groepen.

Ze blijven altijd onderdeel van hun thuisgroep. We combineren dus het beste van twee werelden. En dat is ook belangrijk voor de sociale ontwikkeling. Kinderen leren niet alleen samenwerken met gelijkgestemden, maar juist ook met leerlingen die anders denken. Dat vraagt flexibiliteit – iets wat we hier bewust oefenen.”

Heidi: “We hebben nu zo’n 270 leerlingen, verdeeld over twaalf thuisgroepen. De ochtend start dus in de thuisgroep. Na het werken op de pleinen, keren ze terug naar hun groep, waar we thematisch werken met International Primary Curriculum (IPC). Dat is een geïntegreerd curriculum waar we rijke teksten en onderzoeksvaardigheden aan koppelen.”

Marlene: “In het Talentlab, waar ik werk, krijgen hb-leerlingen instructie op een compacter niveau. Daardoor ontstaat ruimte voor verdiepende en creatieve projecten, zoals Babylonisch rekenen, Dungeons & Dragons, of colleges aan de kinderuniversiteit. We besteden ook veel aandacht aan executieve functies – plannen, organiseren, reflecteren.

Vier jaar geleden werden we voor het eerst gevisiteerd door de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen. Een van de opmerkingen was dat het cognitieve deel en het maatwerk al goed in ons aanbod zaten. Er vielen nog wel punten te verdienen op creatief denken, dat hebben we afgelopen jaren een duidelijke plek gegeven in ons programma. Ik heb kinderen in mijn Talentlab zitten, die cognitief echt nog wel ondersteuning nodig hebben, maar juist op het creatieve hun vleugels enorm kunnen uitslaan.”

Het klinkt als een inclusieve aanpak, waarin de hb-aanpak geen ‘los programma’ is.

Heidi: “Precies. HB is hier geen aparte voorziening. Het is geïntegreerd in de structuur van de school. Onze visie is vanaf de basis gekoppeld aan begaafdheidsonderwijs. Je merkt dat het daardoor geen bijzaak is, maar een vanzelfsprekend onderdeel van hoe wij onderwijs geven.

Marlene: “We hebben ook een ontwikkelgroep talent waarin alle Talentbegeleiders zitten. Zij bewaken het aanbod op schoolniveau. Daarnaast werken we in bouwteams nauw samen, zodat de kennis en aanpak echt door de hele school heen sijpelt.”

Heidi: “Ouders zijn erg dankbaar. Veel van onze hb-leerlingen hebben eerst op andere scholen gezeten. Laatst zei een ouder tegen mij: ‘ik hoef het niet meer alleen te doen of waakzaam te zijn. Jullie komen zelf met ideeën.”

Hoe zorgen jullie ervoor dat ook collega’s weten hoe ze met hb-leerlingen moeten werken?

Marlene: “Doordat we met pleinen werken, zijn leerkrachten automatisch betrokken bij verschillende leerlingen. Je werkt altijd als bouwteam – dus met meerdere leerkrachten per bouw – en deelt daarin kennis. De Talentbegeleiders zijn daar onderdeel van, ze zitten dus altijd bij de bespreking van leerlingen. Ze hebben een coachende rol in hun bouw en nemen input mee naar schoolbrede overleggen.

Heidi: “Het mooie is dat het niet alleen over hoogbegaafdheid gaat. Onze hele schoolstructuur is er één van gespreid leiderschap en gedeelde verantwoordelijkheid. HB is verweven in de visie, in de schoolgids, in het schoolplan. Het is onderdeel van wie wij zijn.”

Hoe gaan jullie om met thuiszitters of kinderen die vastlopen?

Heidi: “Wij willen de verbinding houden met school, óók als het even niet lukt. Het onderwijs kan dit niet alleen. Er is samenwerking met anderen/ experts /zorg nodig, dicht bij de school. Onze samenwerking met de boerderijopvang is daar een mooi voorbeeld van. Kinderen oefenen daar hun executieve functies in de praktijk. Maar het allerbelangrijkste: kinderen blijven onderdeel van de school, ook als ze tijdelijk uitvliegen.”

Marlene: “Het gaat vaak om kinderen met schooltrauma’s. Die wil je niet ergens ver weg plaatsen op een zorgboerderij. Ze moeten zich weer welkom voelen op school – in kleine stapjes. Vertrouwen is daarin het sleutelwoord.

Belangrijk is dat we beseffen dat we het niet alleen kunnen. Deze kinderen zijn zo slim, en hebben zoveel meegemaakt. Dan moet je samenwerken met organisaties als een zorgboerderij, maar ook met goede zorgpartners. En samen kijken wat een leerling nodig heeft.”

Tot slot: wat willen jullie vooral meegeven aan andere scholen?

Heidi: “Dat inclusief onderwijs begint bij het erkennen van verschillen. Niet elk kind past in een standaardpakket. Door ruimte te maken – letterlijk én figuurlijk – kun je deze kinderen laten groeien. Onze droom is fearless human beings afleveren, zoals Helen Parkhurst het bedoelde: kinderen die zichzelf kennen, weten hoe ze leren, en met zelfvertrouwen de wereld in stappen.”

Marlene: “Eind vorig schooljaar hadden we onze eindmusical met groep 8. Dan staan er kinderen op het podium die twee geleden nog maar een uurtje op school kwamen. Nu staan ze te stralen. En ze gaan naar het vo. Dan denk ik: ‘je staat er gewoon weer’.”

© Begaafdheidsprofielscholen 2011 | Privacy Statement