Actueel

  • 27 januari 2026

    Het bestuur #15: Ad Vermeulen

    Lees meer…

  • 23 januari 2026

    Afscheid van drie bestuursleden

    Lees meer…

  • 21 januari 2026

    Sint-Janslyceum: “Het MT is direct betrokken bij het hb-onderwijs”

    Lees meer…

  • 12 januari 2026

    Column #19 Marko Otten: Basisboek HB

    Lees meer…

  • 5 januari 2026

    Basisschool Geert Groote: “Hb-onderwijs staat midden in de school”

    Lees meer…


  • Alle nieuwsberichten

Column Dick van Hennik #3

Column Dick van Hennik
Nummer 3: Leerlingen wijzen vaak de weg

Dick van Hennik is onder andere voorzitter van de Vereniging BPS. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel

Onlangs ontving ik een mail van Frans van Tilborg, docent aan het St. Jans Lyceum en lid van de vereniging. Hij reageert op mijn column van 8 september. Het is een ondersteunende reactie en dat is natuurlijk altijd prettig om te horen, maar hij gaat daarbij ook in op de ontwikkelingen in zijn school. En dat vond ik interessant. Van Tilborg gunt ons een kijkje in de gang van zaken binnen een school en laat zien hoe je het onderwerp op een constructieve manier aan de orde kunt stellen. De werkgroep waarvan hij lid is, maakt dankbaar gebruik van de inbreng van leerlingen. Tim is zo’n leerling die boven alle ‘verdenking’ verheven is. Een leerling die zich binnen het schoolsysteem goed heeft weten te handhaven en tevens laat zien dat hij er ook nog veel naast kan doen. Ook een leerling die er blijk van geeft om meer dan alleen de verplichte leerstof aan onderzoek te willen onderwerpen. Uit de bijlage bij de e-mail blijkt dat hij goed kan verwoorden waar hij last van heeft als het schoolsysteem rigide regels oplegt en hoeveel waardering hij heeft voor de ruimte die hij van de individuele docenten krijgt. Wat let een school om die ruimte standaard aan leerlingen als Tim toe te kennen? Dat is wat we bij de begaafdheidsprofielscholen verstaan onder ‘flexibele programmering’. Wat Tim schrijft over het huiswerk, sluit aan bij wat Ivo in zijn bijdrage (zie de link onder KENNIS, ‘Waarom ik geen huiswerk maak’).

Ook Tim stelt dat hij zelf wijs genoeg is om te bepalen wat hij wel en wat hij niet doet. Blijft de vraag of Tim met zijn hoge cijfers hoogbegaafd is of alleen maar intelligent. Ik kom daarop, omdat ik via een praatgroep op LinkedIn opmerkzaam werd gemaakt op het e-book ‘Help! Mijn kind is hoogbegaafd’ van Marieke van der Zee. Daarin legt ze met behulp van een cartoon van Mark van Eyck het verschil uit tussen een intelligent kind en een hoogbegaafd kind. Ze doet dat als volgt:

Opdracht
Lio en Noël gaan van A naar B. De afstand tussen A en B is 10 km. Lio loopt 2 km per uur. Noël loopt 5 km per uur. Hoe lang duurt het voordat Lio en Noël bij B zijn?
Een doorsnee leerling antwoordt: Lio 5 uur en Noël 2 uur
Een intelligente leerling antwoordt: 5 uur
Een hoogbegaafde leerling zegt: “Is de weg vlak?” “Is er tegenwind?” “Lopen ze eigenlijk wel?”

Hiermee is het verschil tussen leerlingen wel beschreven. Er mag ook uit blijken dat de leerlingen die de stof van het curriculum goed begrijpen en netjes ‘volgens het boekje’ werken, de hoogste cijfers halen. Waardoor de vraag gesteld kan worden dat door selectie via de cijferlijsten misschien niet de hoogbegaafde leerlingen en studenten worden gevonden.

Rest nog de vraag of Tim een hoogbegaafde, dan wel een (zeer) intelligente leerling is. We kunnen dat niet testen en het is eigenlijk ook helemaal niet relevant. Hij heeft klaarblijkelijk de selectie op cijfers goed doorstaan, maar ik durf best de gok aan dat hij zich mag scharen onder de hoogbegaafden. Lees maar wat hij schrijft over zijn stijl van werken. De crux is dat hij het systeem van zijn school feilloos doorheeft (en dus eerst het gewenste antwoord heeft gegeven) , en dat hij van zijn docenten het vertrouwen heeft gekregen dat hij nodig heeft om voldoende ruimte te maken voor zijn eigen vragen en interesses. Dat wil zeggen, niet alle docenten, maar wel de meesten. Dat is dan ook wat deze zeer getalenteerde leerlingen nodig hebben. De school er zijn voordeel mee doen als er naar de leerlingen geluisterd wordt en dat hebben ze op het Sint Jans Lyceum goed begrepen. Zo simpel kan het zijn. Toch?

Dick van Hennik

Column Dick van Hennik #2

Column Dick van Hennik
Nummer 2: Wat bedoelde de staatssecretaris eigenlijk?  

Dick van Hennik is onder andere voorzitter van de Vereniging BPS. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel

Sander Dekker heeft het nieuws gehaald met zijn uitspraken over het gebrek aan aandacht voor de begaafde leerling. Het is eigenlijk opvallend, want al door minister Van Bijsterveld is dit onderwerp op de politieke agenda geplaatst en heeft het een prominente plaats gekregen in de beleidsnota’s Basis voor Presteren (PO) en Beter Presteren (VO) en in het bestuursakkoord met de VO-raad (de zg. Prestatiebox). Er is geld beschikbaar gesteld voor scholen met een bovenbouw vwo en de schoolbesturen hebben zich gebonden aan die afspraak.

Waarom dan nu ineens die aandacht? Waarschijnlijk heeft het te maken met de opening van het academisch jaar. Minister Bussemaker schitterde bij de opening van het splinternieuwe University College in Rotterdam. Allemaal bedoeld om te laten zien dat we het goed voorhebben met de bollebozen onder onze leerlingen/studenten.

Het is dan wat wrang om te constateren dat er forse financiële problemen zijn ontstaan door een samenkomst van allerlei ontwikkelingen (functiemix, al 10 jaar bevriezen van materiële vergoeding), waardoor op de meeste scholen meer lessen per docent moeten worden ingeroosterd en er dus minder tijd kan worden ingeruimd voor individuele aandacht voor de leerlingen.

De vraag is nu wat de staatssecretaris bedoelde.

Het hoogste niveau waarvoor we in Nederland opleiden is het vwo-diploma. Doen we daar de klassieke talen bij, dan hebben we wel het gevoel dat dit een hoger niveau is, maar het blijft vwo. Als er dus gestreefd moet worden naar een hoger niveau, dan vraagt dat misschien om een schooltype dat qua moeilijkheidsgraad nog zwaarder is dan het vwo. Maar dat heb ik hem niet horen zeggen. Dat kan immers ook niet, want dat zal veel te veel geld gaan kosten en dat hebben we niet (toch?).

Bedoelde hij dan dat de gemiddelde cijfers van de vwo examenkandidaten omhoog moeten? Als dat het geval is, zijn er weer diverse mogelijkheden. Je zou het aantal vwo-leerlingen kunnen beperken door de toelatingsnormen op te schroeven. Dan neemt het gemiddelde niveau in de klas toe en kan er op hoger niveau worden lesgegeven. Het probleem is hier, dat we in onze onderwijs nog steeds vinden dat we leerlingen met elkaar moeten vergelijken. En dat kan er weer toe leiden dat ook hier de 6 als norm wordt genomen. Hoe bepaal je dan of het niveau van de leerlingen hoger is geworden? De vraag is dan wat we onder dat niveau verstaan. Wie bepaalt dat niveau en wanneer zeggen we dat we in voldoende mate tegemoet komen aan de leerbehoeftes van onze excellente leerlingen? En dan levert onze neiging om de prestaties van onze leerlingen met elkaar te vergelijken, nog een probleem op. De norm voor het centraal schriftelijk eindexamen wordt bij veel vakken herzien als het gemiddelde over het land te laag blijkt uit te komen? Het bijtellen van punten is zo langzamerhand een soort verwachting geworden. Waar hebben we het dan over als we het niveau van ons onderwijs willen verhogen?

Of bedoelde hij dat onze leerlingen moeten worden aangemoedigd om vooral meer dan een gemiddelde 6 te halen? Dat we de leerlingen aanmoedigen, desnoods dwingen om hogere cijfers voor de examenvakken te gaan halen? De vraag is of we dat niet al doen. De manier waarop in vrijwel alle scholen voor VO naar het eindexamen wordt toegewerkt, levert een beeld op waarbij leraren hun leerlingen zoveel mogelijk stimuleren om hoge cijfers te halen. Ik ken geen leraar die tegen zijn leerlingen zegt dat ze beter lage cijfers kunnen scoren (vergeef me mijn enigszins cynische ondertoon). Bovendien wordt het scholen verweten dat ze slechte kwaliteit leveren als het schoolexamencijfer te veel afwijkt (in positieve zin dan) van het cijfer voor het centraal examen. Reden genoeg om de veilige kant te kiezen en de schoolexamencijfers te drukken door een strengere norm te hanteren.

We hebben de staatssecretaris niet over inhoud horen praten. Zijn referentiekader is – zo lijkt het – internationaal onderzoek en de data die dat heeft opgeleverd. Er is geen visie op de inhoud, maar op de ranglijst. En daar zit m.i. ook het probleem. Professionals in het onderwijs zijn vooral bezig met het streven om jonge mensen bagage mee te geven voor het leven. Een onderdeel daarvan is het diploma. Een belangrijk onderdeel, zeker in de laatste jaren van de schoolopleiding, maar toch zeker niet het enige. Verbaal vinden bewindslieden en schoolbestuurders dat ook belangrijk, maar als puntje bij paaltje komt, dan is dat niet hun referentiekader. Dan gaat het om ranglijsten en meetbare prestaties. We weten het allemaal: hoe meten we de individuele ontwikkeling van jonge mensen? Niets is persoonlijker dan dat en dus is ontwikkeling van de een ook niet te vergelijken met dat van de ander. Wat overblijft is de enige maat die om te zetten is in getallen. Getallen die maar al te graag worden benut voor goede sier, dan wel om het onderwijs ermee te confronteren.

Heeft de staatssecretaris het misschien over het potentieel dat hoogbegaafde leerlingen in zich bergen? Als dat zo is gaan we als vereniging BPS graag het gesprek aan. Dan kan de overheid ons nog goede diensten bewijzen. Ik denk dan aan een adequate regeling van de onderwijstijd. Immers, hoogbegaafde leerlingen leren anders en hebben andere onderwijsbehoeften dan – wat we dan maar noemen – de ‘doorsnee-leerling’. Of moet ik het scherper stellen: dan wat we denken dat de doorsnee leerling als aanbod nodig heeft. Dit alles schreeuwt om flexibiliteit en creativiteit. En helaas, dat is lastig te controleren en al helemaal niet te meten. Wel stoelt dit alles op vertrouwen in de professionals in het onderwijs.

Kortom, bewindslieden en uw opvolgers: we gaan graag op de inhoud in.

Dick van Hennik
voorzitter

Column Dick van Hennik #1

Column Dick van Hennik
Nummer 1: Omzien    

Dick van Hennik is onder andere voorzitter van de Vereniging BPS. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel

Onlangs sprak ik een oud-gediende uit de wereld van het onderwijs voor hoogbegaafden. Hij verzuchtte dat de ontwikkelingen zo langzaam gaan en dat er nog zoveel gedaan moet worden. En soms lijkt dat ook zo. Twee stappen voorwaarts en drie achterwaarts – als variant op de gang van zaken bij de processie van Echternach.
 Toch ben ik van mening dat we het zo niet moeten zien. Er is immers in de afgelopen decennia al heel veel gebeurd. In de jaren ’90 van de vorige eeuw waren er nog maar weinig scholen actief op het terrein van hoogbegaafdheid. En als het al gebeurde dat was er sprake van incidentele hulp en nauwelijks van standaard beleid. Diverse initiatieven strandden in te ver doorgevoerd idealisme en ongeduld.

Ik kan me nog levendig de discussie met de zaal herinneren toen ik als kersverse rector van Dalton Voorburg aan de jaarvergadering van de vereniging Pharos probeerde uit te leggen wat we allemaal voor onze hoogbegaafde leerlingen probeerden te doen. De reacties uit de zaal waren voornamelijk ingegeven door persoonlijke frustraties op basis de eigen schoolervaringen of die van de kinderen. Van constructief overleg kon geen enkele sprake zijn.

Hoe anders is dat nu! Ouders hebben zich sterk verenigd in organisaties die scholen ter verantwoording roepen; maar die zich ook aanbieden om met scholen, die iets voor hoogbegaafde leerlingen willen betekenen, in gesprek te gaan. En zo moet het ook. Het gaat om een dialoog, om het zoeken naar wat voor de hoogbegaafde leerling werkt. En als dat niet direct goed gaat, mag en moet er constructieve feedback komen.

Daarom is er de vereniging Begaafdheidsprofielscholen sterk gericht op de dialoog. Dialoog met alle betrokkenen: docenten en schoolleidingen (die het zullen moeten doen) en van daaruit met leerlingen, ouders, schoolbesturen, de wetenschap, het ministerie van OCW en allen die zich op dit moment sterk maken voor talentontwikkeling en deskundigheid op het gebied van onderwijs aan talentvolle kinderen en jongeren. Alleen als we de krachten bundelen, elkaar versterken en ondersteunen, zullen we uiteindelijk ons doel bereiken: goed onderwijs, ook aan hoogbegaafde kinderen, waardoor onze leerlingen en studenten er beter van worden en uiteindelijk de samenleving ook.

Onze vernieuwde website zal er hopelijk toe bijdragen dat we elkaar als actief betrokkenen kunnen vinden. Aan de vereniging zal het niet liggen.

Dick van Hennik
voorzitter

© Begaafdheidsprofielscholen 2011 | Privacy Statement