Actueel

  • 10 december 2018

    Regeling doorstroom po-vo (hoog)begaafden gepubliceerd

    Lees meer…

  • 5 december 2018

    Het moet schuren. 8+-groepen op het Emelwerda

    Lees meer…

  • 5 december 2018

    Artikel Een soepele overgang voor (hoog)begaafde leerlingen

    Lees meer…

  • 1 december 2018

    Expertmeeting SLO Talentnetwerk Limburg

    Lees meer…

  • 21 november 2018

    Ontwikkelingen in de visitaties


    Lees meer…

Column Dick van Hennik #2

Column Dick van Hennik
Nummer 2: Wat bedoelde de staatssecretaris eigenlijk?  

Dick van Hennik is onder andere voorzitter van de Vereniging BPS. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel

Sander Dekker heeft het nieuws gehaald met zijn uitspraken over het gebrek aan aandacht voor de begaafde leerling. Het is eigenlijk opvallend, want al door minister Van Bijsterveld is dit onderwerp op de politieke agenda geplaatst en heeft het een prominente plaats gekregen in de beleidsnota’s Basis voor Presteren (PO) en Beter Presteren (VO) en in het bestuursakkoord met de VO-raad (de zg. Prestatiebox). Er is geld beschikbaar gesteld voor scholen met een bovenbouw vwo en de schoolbesturen hebben zich gebonden aan die afspraak.

Waarom dan nu ineens die aandacht? Waarschijnlijk heeft het te maken met de opening van het academisch jaar. Minister Bussemaker schitterde bij de opening van het splinternieuwe University College in Rotterdam. Allemaal bedoeld om te laten zien dat we het goed voorhebben met de bollebozen onder onze leerlingen/studenten.

Het is dan wat wrang om te constateren dat er forse financiële problemen zijn ontstaan door een samenkomst van allerlei ontwikkelingen (functiemix, al 10 jaar bevriezen van materiële vergoeding), waardoor op de meeste scholen meer lessen per docent moeten worden ingeroosterd en er dus minder tijd kan worden ingeruimd voor individuele aandacht voor de leerlingen.

De vraag is nu wat de staatssecretaris bedoelde.

Het hoogste niveau waarvoor we in Nederland opleiden is het vwo-diploma. Doen we daar de klassieke talen bij, dan hebben we wel het gevoel dat dit een hoger niveau is, maar het blijft vwo. Als er dus gestreefd moet worden naar een hoger niveau, dan vraagt dat misschien om een schooltype dat qua moeilijkheidsgraad nog zwaarder is dan het vwo. Maar dat heb ik hem niet horen zeggen. Dat kan immers ook niet, want dat zal veel te veel geld gaan kosten en dat hebben we niet (toch?).

Bedoelde hij dan dat de gemiddelde cijfers van de vwo examenkandidaten omhoog moeten? Als dat het geval is, zijn er weer diverse mogelijkheden. Je zou het aantal vwo-leerlingen kunnen beperken door de toelatingsnormen op te schroeven. Dan neemt het gemiddelde niveau in de klas toe en kan er op hoger niveau worden lesgegeven. Het probleem is hier, dat we in onze onderwijs nog steeds vinden dat we leerlingen met elkaar moeten vergelijken. En dat kan er weer toe leiden dat ook hier de 6 als norm wordt genomen. Hoe bepaal je dan of het niveau van de leerlingen hoger is geworden? De vraag is dan wat we onder dat niveau verstaan. Wie bepaalt dat niveau en wanneer zeggen we dat we in voldoende mate tegemoet komen aan de leerbehoeftes van onze excellente leerlingen? En dan levert onze neiging om de prestaties van onze leerlingen met elkaar te vergelijken, nog een probleem op. De norm voor het centraal schriftelijk eindexamen wordt bij veel vakken herzien als het gemiddelde over het land te laag blijkt uit te komen? Het bijtellen van punten is zo langzamerhand een soort verwachting geworden. Waar hebben we het dan over als we het niveau van ons onderwijs willen verhogen?

Of bedoelde hij dat onze leerlingen moeten worden aangemoedigd om vooral meer dan een gemiddelde 6 te halen? Dat we de leerlingen aanmoedigen, desnoods dwingen om hogere cijfers voor de examenvakken te gaan halen? De vraag is of we dat niet al doen. De manier waarop in vrijwel alle scholen voor VO naar het eindexamen wordt toegewerkt, levert een beeld op waarbij leraren hun leerlingen zoveel mogelijk stimuleren om hoge cijfers te halen. Ik ken geen leraar die tegen zijn leerlingen zegt dat ze beter lage cijfers kunnen scoren (vergeef me mijn enigszins cynische ondertoon). Bovendien wordt het scholen verweten dat ze slechte kwaliteit leveren als het schoolexamencijfer te veel afwijkt (in positieve zin dan) van het cijfer voor het centraal examen. Reden genoeg om de veilige kant te kiezen en de schoolexamencijfers te drukken door een strengere norm te hanteren.

We hebben de staatssecretaris niet over inhoud horen praten. Zijn referentiekader is – zo lijkt het – internationaal onderzoek en de data die dat heeft opgeleverd. Er is geen visie op de inhoud, maar op de ranglijst. En daar zit m.i. ook het probleem. Professionals in het onderwijs zijn vooral bezig met het streven om jonge mensen bagage mee te geven voor het leven. Een onderdeel daarvan is het diploma. Een belangrijk onderdeel, zeker in de laatste jaren van de schoolopleiding, maar toch zeker niet het enige. Verbaal vinden bewindslieden en schoolbestuurders dat ook belangrijk, maar als puntje bij paaltje komt, dan is dat niet hun referentiekader. Dan gaat het om ranglijsten en meetbare prestaties. We weten het allemaal: hoe meten we de individuele ontwikkeling van jonge mensen? Niets is persoonlijker dan dat en dus is ontwikkeling van de een ook niet te vergelijken met dat van de ander. Wat overblijft is de enige maat die om te zetten is in getallen. Getallen die maar al te graag worden benut voor goede sier, dan wel om het onderwijs ermee te confronteren.

Heeft de staatssecretaris het misschien over het potentieel dat hoogbegaafde leerlingen in zich bergen? Als dat zo is gaan we als vereniging BPS graag het gesprek aan. Dan kan de overheid ons nog goede diensten bewijzen. Ik denk dan aan een adequate regeling van de onderwijstijd. Immers, hoogbegaafde leerlingen leren anders en hebben andere onderwijsbehoeften dan – wat we dan maar noemen – de ‘doorsnee-leerling’. Of moet ik het scherper stellen: dan wat we denken dat de doorsnee leerling als aanbod nodig heeft. Dit alles schreeuwt om flexibiliteit en creativiteit. En helaas, dat is lastig te controleren en al helemaal niet te meten. Wel stoelt dit alles op vertrouwen in de professionals in het onderwijs.

Kortom, bewindslieden en uw opvolgers: we gaan graag op de inhoud in.

Dick van Hennik
voorzitter

© Begaafdheidsprofielscholen 2011 | Privacy Statement