Actueel

  • 3 november 2026

    Hoe richt je het onderwijs in rondom een kind? Dat is altijd mijn uitgangspunt

    Lees meer…

  • 2 november 2026

    “Het probleem is niet het probleem: er zit altijd iets onder”

    Lees meer…

  • 18 september 2026

    Meld je nu aan voor het BPS-festival op 27 november 2026

    Lees meer…

  • 2 september 2026

    Lineke van Tricht: ‘Maak leerlingen bewust van hun talent’

    Lees meer…

  • 1 juli 2026

    ‘We laten de leerlingen hun onderwijs zo passend mogelijk maken’. Hb-onderwijs op het Theresialyceum

    Lees meer…


  • Alle nieuwsberichten

Hoe richt je het onderwijs in rondom een kind? Dat is altijd mijn uitgangspunt

Op 11 november kiezen de leden van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen (BPS) een nieuwe voorzitter. Na vijf jaar neemt Marko Otten afscheid. Het bestuur draagt Carla van den Bosch voor als zijn opvolger. Van den Bosch was jarenlang directeur van Het Talent in Nijmegen, een school die landelijk bekendstaat om haar vernieuwende visie op onderwijs en talentontwikkeling. Samen met haar team ontwikkelde zij een eigen pedagogisch-didactisch concept. Wat neemt zij mee naar de vereniging en welke ambities heeft zij voor de toekomst van de BPS?

Het Talent bestaat inmiddels al geruime tijd. Hoe is de school ontstaan?

Ik ben begonnen als leerkracht op diverse basisscholen in Nederland en vervolgens intern begeleider geworden. Daarna kreeg ik de mogelijkheid om mee te werken aan de ontwikkeling van een nieuw schoolconcept in de regio Nijmegen. Voor dat ontwikkeltraject had de Radboud Universiteit subsidie ontvangen van het ministerie van OCW.

In het concept dat we ontwikkelden zijn elementen uit traditionele vernieuwingsscholen verwerkt, maar de kern ligt ergens anders. Het uitgangspunt is een pedagogisch-didactische kennisstructuur waarin de ontwikkeling van het kind centraal staat. Wanneer je de ontwikkeling van jonge kinderen zorgvuldig in beeld brengt, krijg je al vroeg inzicht in hun onderwijsbehoeften. Dan is de vraag niet of een kind in een bepaald leerjaar past, maar waar het zich bevindt in zijn of haar ontwikkeling. Daar pas je het onderwijsaanbod op aan.

Zo ontstond een organisatiemodel van kleinschalige leergemeenschappen voor kinderen van vier tot twaalf jaar, begeleid door een team van professionals dat gezamenlijk verantwoordelijkheid draagt voor de ontwikkeling van deze kinderen. Doordat meerdere professionals naar hetzelfde kind kijken, ontstaat een rijker beeld en kunnen verschillende perspectieven worden benut.

Een logisch gevolg van deze organisatie is dat inclusief onderwijs niet iets extra’s is, maar onderdeel van het uitgangspunt. Wij noemen dat erkende ongelijkheid. Het Talent heeft altijd ruimte geboden aan kinderen met uiteenlopende ondersteuningsbehoeften, waaronder leerlingen afkomstig uit het speciaal onderwijs en het speciaal basisonderwijs.

Hoe is vanuit die visie de aandacht voor hoogbegaafdheid ontstaan?

Voor mij begint het altijd bij dezelfde vraag: wat heeft dit kind nodig en hoe organiseer je het onderwijs daaromheen? De organisatie moet ondersteunend zijn aan de ontwikkeling van het kind, niet andersom.

Bij de doelgroep kinderen met kenmerken van hoogbegaafdheid weten we dat zij juist behoefte hebben aan topdown instructie, meer uitdaging en meer passende begeleiding. Daarnaast is voor deze kinderen contact met ontwikkelingsgelijken noodzakelijk.

Vanuit die behoefte is in 2009 de voltijdsvoorziening van Het Talent ontstaan. Daar vinden kinderen een plek die in hun vorige onderwijssetting niet altijd aansloot bij hun ontwikkelingsbehoeften.

Je heeft veel gewerkt op het snijvlak van onderwijs en zorg. Welke kansen zie je daar?

Onderwijs en zorg kijken vanuit verschillende perspectieven naar kinderen. Zorg richt zich primair op het individu, onderwijs werkt vanuit groepen. Juist daarom is samenwerking essentieel. Bij Het Talent hebben we jarenlang samengewerkt met een jeugdzorginstelling. Samen onderzochten we steeds wat een kind nodig had om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Ook liepen jeugdzorgprofessionals structureel mee binnen de school om preventief te ondersteunen en ervoor te zorgen dat kinderen zo veel mogelijk onderdeel konden blijven van hun groep.

Mijn ervaring is dat professionals elkaar vaak goed weten te vinden en veel overeenstemming hebben over wat nodig is. De uitdaging zit meestal in de systemen waarbinnen we werken. Juist daar ligt een belangrijke opgave: zorgen dat kinderen krijgen wat zij nodig hebben, zonder onnodige belemmeringen vanuit procedures en structuren.

Je maakte eerder deel uit van het bestuur van de BPS.

Rond 2012 ben ik toegetreden tot het bestuur van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen. In die periode kwam er meer aandacht voor het primair onderwijs en ben ik betrokken geweest bij de ontwikkeling van het keurmerk voor het PO.

Later heb ik ervoor gekozen mijn energie volledig te richten op Het Talent. Ik geloof sterk in verdieping. Ik wilde de school blijven doorontwikkelen en steeds verder versterken. Als ik ergens verantwoordelijkheid voor neem, wil ik daar ook de tijd en aandacht aan kunnen geven die nodig zijn.

Wat zijn je ambities als voorzitter van de BPS?

Het is zeer krachtig dat scholen op enig moment een zelfevaluatie uitvoeren (HB scan PO-VO) om te zien waar zij staan in hun ontwikkeling ten aanzien van kinderen met kenmerken van hoogbegaafdheid. Je ziet bij scholen die al langer lid dat zij beschikken over steeds meer specialistische kennis en ervaring op het gebied van hoogbegaafdheid. Die expertise verdient erkenning en zou breder benut kunnen worden ten behoeve van andere scholen. Deze scholen zouden toch de kans moeten krijgen om als expertschool te dienen binnen hun samenwerkingsverband voor andere scholen. Hoe kunnen wij ons daar sterk voor maken, als BPS, naar de samenwerkingsverbanden?

Ook internationalisering zie ik vooral vanuit dat perspectief. Het gaat niet om internationale contacten op zichzelf, maar om de vraag wat we daarvan kunnen leren. Hoe organiseren scholen in Duitsland of Vlaanderen het onderwijs aan deze doelgroep? Welke inzichten kunnen onze leden helpen hun onderwijs verder te versterken? Dat moet steeds het uitgangspunt zijn.

Hoe kijk je naar de rol van wetenschap en onderzoek?

De Wetenschappelijke Raad speelt een belangrijke rol binnen de BPS en heeft als doel de vereniging en haar leden te ondersteunen met wetenschappelijk advies en het versterken van de verbinding tussen onderzoek en onderwijspraktijk. Onderzoek heeft grote waarde, mits het daadwerkelijk bijdraagt aan de onderwijspraktijk.

Mijn ervaring heeft me geleerd dat we als scholen kritisch moeten kijken naar de onderzoeken waaraan wij deelnemen. We moeten onderzoeken stimuleren die onze leden ondersteunen in hun dagelijkse praktijk en die bijdragen aan beter onderwijs voor leerlingen. Wanneer adviezen worden gegeven die scholen niet kunnen realiseren, ontstaat er gemakkelijk spanning tussen verwachtingen en mogelijkheden. Ik ben groot voorstander van een structurele samenwerking tussen onderwijs en wetenschap. En ik weet ook hoe ingewikkeld dat kan zijn met oog op verschillende geldstromen, organisaties en systemen.

Welke andere thema’s verdienen aandacht binnen het bestuur?

Van onze leden horen we steeds opnieuw dat kennisdeling een grote meerwaarde heeft. Er gebeurt al veel, bijvoorbeeld tijdens de verenigingsdagen, maar er liggen nog verdere kansen.

Ik zie mogelijkheden om scholen nog gerichter met elkaar in contact te brengen op basis van expertise en ontwikkelvragen. Wanneer een school ervaring heeft met bijvoorbeeld AI-toepassingen binnen het hoogbegaafdheidsonderwijs en een andere school juist op dat terrein wil ontwikkelen, kunnen we die verbinding actief faciliteren.

Goed onderwijs ontstaat in de ontmoeting tussen wetenschap, advisering en onderwijspraktijk. Dat zijn verschillende domeinen, ieder met een eigen waarde. Er liggen kansen in samenwerking met initiatieven zoals Ontwikkelkracht, Impuls Open Leermateriaal, POINT, NTCN en het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid. Ook internationale contacten kunnen daarbij waardevol zijn.

Van belang is wel dat het onderwijs nadrukkelijker gepositioneerd moet worden als gelijkwaardige partner in de dialoog over wat werkt, wat wenselijk is en wat daadwerkelijk uitvoerbaar is voor het kind in de onderwijssetting.

Daarnaast blijft steeds dezelfde vraag leidend: draagt het concreet bij aan professionalisering en aan beter onderwijs voor leerlingen? Als dat het geval is, moeten we die kansen benutten.”

© Begaafdheidsprofielscholen 2011 | Privacy Statement